De baan wordt volledig automatisch bestuurd en hiervoor kunnen terugmelders worden gebruikt. Met een terugmeldmodule wordt aan de digitale centrale doorgegeven of er iets op de baan staat wat stroom afneemt (meestal een loc, maar het kan ook een rijtuig met verlichting zijn). De software, aangesloten op deze centrale, weet dan op welke plekken van de baan iets staat. Rijtuigen of goederenwagens zonder verlichting/stroomafname worden op deze manier dus niet gedetecteerd.

Het totale spoor van de modelbaan is opgedeeld in 23 blokken:

  • 5 sporen op het hoofdstation
  • 4 sporen in het schaduwstation
  • 2 sporen op het bovenste gedeelte
  • 5 opstelsporen
  • 7 tussenliggende trajecten

Ieder blok wordt opgedeeld in 2 en soms 3 secties:

  • enter – trein rijdt het blok binnen
  • in – trein bereikt de stopplek van het blok
  • pre-2-in – stopplek voor kortere treinen
Rail met isolator

Blokken zijn volledig geïsoleerd van elkaar, aan het begin en aan het eind van het blok zijn dus beide rails met een plastic rail-isolator gescheiden van het volgende blok. De secties binnen een blok worden gemaakt door bij 1 rail de isolator te plaatsen.

Digikeijs 5088RC terugmeldmodule

Al deze gescheiden gedeelten krijgen de stroom niet direct vanuit de centrale, maar deze worden gevoed via de terugmelders. Ik koos voor twee type terugmelders, de Digikeijs 4088LN en de Digikeijs 5088RC. Beide worden via Loconet aangesloten op de centrale. De 5088RC is wat duurder, maar deze heeft een extra functionaliteit: Railcom terugmelding. Daarmee wordt het adres van de gedetecteerde loc ook teruggegeven aan de centrale.

Op deze manier worden in mijn modelbaan 56 secties gemonitord door deze terugmelders en dat is weer zichtbaar in Rocrail. Naast de enter, pre2in en in terugmelders, zijn er ook een aantal voor de wisselstraten. Deze laatste worden gebruikt in Routes, zodat een Route niet kan worden vrijgegeven als de wisselstraatsensor een bezetmelding geeft. Normaal gesproken horen wissels geen onderdeel te zijn van blokken.