De juiste spanning die het puntstuk van een wissel nodig heeft, is afhankelijk van de ingestelde rijrichting. Staat een linkse wissel op rechtdoor ingesteld, dan gaan de linkerwielen van een trein over het puntstuk. Wordt de rijweg op links ingesteld, dan gaan de rechter wielen over het puntstuk. Bij Fleischmann Profi-rails is dit puntstuk geïsoleerd en wordt daarmee het probleem omzeilt. Dit heeft echter ook tot gevolg dat op dat punt een loc niet van stroom wordt voorzien, zeker bij lage snelheden een kans op daar stil te vallen.
PECO Electrofrog
Peco kent drie typen wissels: Insulfrog (geïsoleerd puntstuk), Electrofrog (gepolariseerd puntstuk) en de Unifrog (combinatie van die twee). Voor digitaal gebruik zijn er echter wel aanpassingen nodig bij de Electrofrog variant, zie https://dccwiki.com/PECO_Electrofrog#PECO_Electrofrog_-_Modifications_for_DCC.
De keuze hangt er vooral vanaf hoeveel problemen het geïsoleerde puntstuk geven, als er geen treinen blijven stilstaan, ook niet met lage snelheid, is er niet veel reden de wissels te polariseren.
Met de MTB MP4 wisselmotor is het bijvoorbeeld mogelijk om een wissel natuurgetrouw om te leggen én heeft een aansluiting die gebruikt kan worden voor polarisatie.
Met het programma Rocrail kan een baan digitaal worden aangestuurd. Ik gebruik een Raspberry PI met piOS. Rocrail is te downloaden en via een USB-stick kopieer ik het programma (zonder het te installeren) op de Raspberry PI. De Digikeijs DR5000 centrale is via een UTP-kabel verbonden met de PI.
Toevoegen van de centrale aan Rocrail
Na het starten van Rocrail, kunnen via het menu Rocrail properties worden opgevraagd. Bij de tab “Controllers” kan de DR5000 centrale worden toegevoegd, in mijn geval met IP-adres 192.168.16.254 en port 5550.
De baan wordt volledig automatisch bestuurd en hiervoor kunnen terugmelders worden gebruikt. Met een terugmeldmodule wordt aan de digitale centrale doorgegeven of er iets op de baan staat wat stroom afneemt (meestal een loc, maar het kan ook een rijtuig met verlichting zijn). De software, aangesloten op deze centrale, weet dan op welke plekken van de baan iets staat. Rijtuigen of goederenwagens zonder verlichting/stroomafname worden op deze manier dus niet gedetecteerd.
Het totale spoor van de modelbaan is opgedeeld in 23 blokken:
5 sporen op het hoofdstation
4 sporen in het schaduwstation
2 sporen op het bovenste gedeelte
5 opstelsporen
7 tussenliggende trajecten
Ieder blok wordt opgedeeld in 2 en soms 3 secties:
enter – trein rijdt het blok binnen
in – trein bereikt de stopplek van het blok
pre-2-in – stopplek voor kortere treinen
Rail met isolator
Blokken zijn volledig geïsoleerd van elkaar, aan het begin en aan het eind van het blok zijn dus beide rails met een plastic rail-isolator gescheiden van het volgende blok. De secties binnen een blok worden gemaakt door bij 1 rail de isolator te plaatsen.
Digikeijs 5088RC terugmeldmodule
Al deze gescheiden gedeelten krijgen de stroom niet direct vanuit de centrale, maar deze worden gevoed via de terugmelders. Ik koos voor twee type terugmelders, de Digikeijs 4088LN en de Digikeijs 5088RC. Beide worden via Loconet aangesloten op de centrale. De 5088RC is wat duurder, maar deze heeft een extra functionaliteit: Railcom terugmelding. Daarmee wordt het adres van de gedetecteerde loc ook teruggegeven aan de centrale.
Op deze manier worden in mijn modelbaan 56 secties gemonitord door deze terugmelders en dat is weer zichtbaar in Rocrail. Naast de enter, pre2in en in terugmelders, zijn er ook een aantal voor de wisselstraten. Deze laatste worden gebruikt in Routes, zodat een Route niet kan worden vrijgegeven als de wisselstraatsensor een bezetmelding geeft. Normaal gesproken horen wissels geen onderdeel te zijn van blokken.
Om zelf realistisch gras te maken op de modelbaan, kan het elektrostatisch begrassen worden toegepast. Een elektrische begrasser zorgt voor een sterke lading tussen ondergrond en de begrasser, zodat de grasvezels mooi rechtop in de laag lijm terechtkomen.
Hiervoor gebruik ik de RTS Greenkeeper van 35kV. Grasvezels van 2 of 4mm zijn voor H0 eigenlijk al lang genoeg, eventueel kan 6mm ook nog (6mm in H0 is 52cm lang gras in het echt!). Door verschillende kleurtinten te mengen, krijg je een mooi natuurlijk effect en geen biljartlaken. Bouw het laag voor laag op. Als lijm kan houtlijm, boekbinderslijm (beide verdund met afwasmiddel) of voorstrijk (Alabastine Voorstrijk Latex Concentraat Transparant Binnen, ook 1 op 1 verdunnen) gebruikt worden.
Haal voor het grassen al het materieel van de baan en koppel de central af. Zet alle stroom uit.
Gebruik een oude kwast met gespreide haren om de lijm op de ondergrond aan te brengen. Zodoende wordt het geen egale lijmlaag, maar meer “vlekken” lijm. Doe de vezels in de begrasser en prik de aarde aan een spijker of schroef in de baan, hoeft niet direct naast het stuk te zijn waar je gaat begrassen, ergens binnen 50cm. Zet dan de begrasser aan en schud de vezels over de lijmlaag.
Dit even goed laten drogen (een paar tot 24 uur). Zuig dan alle losse vezels weg (vang ze op met een nylon kous over de stofzuigermond) en herhaal dit proces nog eens, door de kale plekken nu in te lijmen en die te begrassen. Verschillende lengtes kunnen tegelijkertijd of eventueel na elkaar worden gebruikt.
Ook al gebruik ik Fleischmann Profi-rails waar dus al ballast tussen de bielzen is aangebracht, wordt het ballastbed toch wat breder gemaakt. Hiervoor gebruik ik ballast van Woodland Scenics, lichtgrijs medium (nr. B1394), maar dat is eigenlijk te licht.
Eventueel kun je eerst wat boekbinderslijm langs de rails smeren, een dun randje. Dit voorkomt wellicht dat er teveel verdunde lijm straks in het kurkbed gezogen wordt. Daarna wordt ballast links en rechts naast de rails gestrooid, ik doe dat gewoon met een theelepel. Eventueel losse korrels van de rails vegen met een kwastje.
De ballast wordt vastgelijmd met verdunde lijm. Gebruik hiervoor houtlijm of boekbinderslijm 1 op 1 gemengd met water. Voeg daar wat druppels afwasmiddel aan toe om oppervlaktespanning van de lijm te breken zodat de verdunde lijm goed tussen de ballastkorrels vloeit. Roer dit geheel goed door, ook tijdens het ballasten.
Spuit daarna met een plantenspuit op de gestrooide ballast, ook dit helpt dat de lijm beter vloeit en niet de korrels meeneemt. Als de ballast nat genoeg is, kun je met een pipetje wat verdunde lijm met afwasmiddel opzuigen en over de ballast druppelen. Als het goed is, blijft de ballast liggen en vloeit de lijm er mooi tussendoor. Pas met deze techniek wel op met wissels en andere kwetsbare onderdelen op de baan! De lijm kan daar natuurlijk ook makkelijk inlopen en met het uitharden de boel later blokkeren.
Met een solide frame op wieltjes als basis, kan gestart worden met het leggen van het spoor zelf. De ondergrond van het spoor bestaat uit berkenmultiplex van 6mm dik, met daarop een laag kurk van 4mm dik gelijmd. Het schaduwstation komt direct op de onderbouw te liggen, daar waar de 6mm dikke plaat op de ribben van het frame komt te liggen, heb ik eerst stroken glasband (van de bouwmarkt) geplakt, om nog iets extra demping te realiseren. Geen idee of het veel effect heeft (ook omdat het sommige plekken de plaat wordt vastgeschroefd aan het frame en dus direct contact maakt via de schroef), maar het kan ook geen kwaad.
Het was even uitvogelen hoe ik het makkelijkst het ontworpen baanplan nu over kon nemen naar de echte baan. Eerst heb ik een deel van het plan op het werkelijke formaat afgedrukt, deze optie kent Wintrack. Maar dat worden uiteindelijk wel heel veel A4-tjes, die je nog iets moet bijsnijden en (recht!) elkaar moet plakken, een enorme klus op zichzelf…
Dat idee heb ik snel laten varen. In plaats daarvan heb ik de rails uitgelegd op de multiplex plaat en met een marge van +/- 3-4cm aan de kanten van de rails met potlood een lijn getrokken. Vervolgens dat met de decoupeerzaag uitgezaagd, zodat je daarmee een ondergrond hebt die net iets breder is dan het spoor zelf.
Meten is weten
Om precies te weten waar welk spoor moet komen te liggen, kun je in Wintrack een lijn trekken van bijvoorbeeld de rechter driewegwissel naar de rand van het baanplan, zowel naar rechts als naar boven. Daar wordt dan de werkelijke afstand in millimeters bijgezet, zodat je met een rolmaat op de werkelijke baan precies kunt meten waar de wissel moet komen te liggen.
Om de afstand tussen twee sporen goed te kunnen bepalen, heb ik een soort malletje gemaakt door vier kleine gleufjes met de decoupeerzaag in een blokje hout te zagen. Deze kun je precies op vier railstaven zetten, waarmee de afstand tussen de twee sporen op 63,5mm uitkomt, zoals het volgens het Fleischmann Profi-railprofiel hoort te zijn.
Fleischmann railprofiel
Om bochten goed te leggen kun je ook gebruik maken van de maten van het Fleischmann railprofiel: een R1 boog heeft een straal van 356,5mm, een R2 boog een straal van 420mm, gemeten vanuit het hart van de rails tot het middelpunt van de boog. Begin- en eindpunt van een kwart boog kun je op hout met een rolmaat bepalen en met potlood aftekenen. Dan de rails leggen (voor een kwart R1 boog 2x Fleischmann Profi-rail 6120 en 1x 6122) en met potlood aan beide kanten van de rails de contouren volgen en op het hout aftekenen. Vervolgens met het zagen weer links en recht een ruime marge nemen en je hebt de onderplaat van een bocht!
Rails leggen
Schaduwstation met de Roco 1838
Om het geluid te dempen wordt aangeraden om de rails niet direct op het hout te liggen. Daarom heb ik ook kurk gekocht om als dempende laag te gebruiken, deze is verkrijgbaar op rol, ik nam een dikte van 4mm. Door de uitgezaagde plaat op kurk te leggen en met een stanleymes de contour te volgen, sneed ik een stuk kurk uit wat precies paste op de multiplex plaat. Vervolgens bracht ik speciale lijm aan op de kurk en dat moet je laten drogen tot je het niet meer ziet. De houten ondergrond nam ik nog even af met een sopje van warm water met ontvetter. Zodra de lijm voldoende was gedroogd, kon het op het hout geplakt worden. Stapel boeken erop om aan te drukken en lekker een paar uur zo laten liggen.
Vervolgens kan daar bovenop de rails gelegd worden. Eventuele afgetekende punten op het hout zijn natuurlijk onder de kurklaag verdwenen, dus soms moet je dat even opnieuw uitmeten. Als later de stroomdraden en wisselaandrijvingen zijn aangesloten, kan de rails op kurk gelijmd worden met boekbinderslijm.
Aangezien de modelbaan op vier verschillende niveau’s is ontworpen, is het niet handig om met een vlakke plaat te beginnen met het opbouwen van de baan. Daarom heb ik er voor gekozen om een open frame te gebruiken voor de constructie.
Het frame bestaat uit 10cm hoge stukken berken multiplex van 9mm dik, dit zorgt voor een stevige basis. De lengte van 360cm is verdeeld in drie gelijke stukken van 120cm.
Voorbeeld van een houten kruisverbinding
Tussen twee latten van 120cm zitten vier van dezelfde latten van elk 138cm (en dus 10cm hoog en 9mm dik). Waar de latten elkaar kruisen, zijn ze beide half ingezaagd, zodat een kruisverbinding ontstaat, hier is bij het in elkaar schuiven ook houtlijm tussen gedaan.
Op de hoeken zijn de latten met elkaar verbonden met een vurenhouten balkje van ook 10cm hoog en 4x4cm dik, vastgelijmd aan elkaar met houtlijm en geschroefd met spaanplaatschroeven. Op 8 plekken is dit vurenhouten hoekbalkje 80cm lang, dat zijn de poten van de tafel. Hieronder zijn kleine zwenkwieltjes geschroeft, zodat de hele tafel verreden kan worden, zodat er makkelijk aan alle kanten aan de baan gewerkt kan worden.
Het begin van de baan: het basisraamwerk
De drie delen zijn aan elkaar gezet door schroeven met moeren en kunnen dus weer van elkaar afgehaald worden. De constructie is op deze manier erg stevig, als ik onder de baan aan het werk ben, kan ik me zonder problemen optrekken aan deze houten latten, zonder dat ze breken.
Het hout is gezaagd uit een grote plaat berken multiplex. Deze heb ik gekocht bij Pontmeyer, daar liggen deze platen vlak en zijn dus niet kromgetrokken. Bovendien hebben zij geholpen om alle stukken op maat te zagen, zo snel en strak krijg ik het zelf niet voor elkaar!
Seinen maken een modelbaan veel levendiger en gelukkig is voor de modelbaan met een Nederlands thema een fraai sein verkrijgbaar: de Digikeijs DR711. Ook deze is via schakeldecoder DR4018 te bedienen, al zit dat iets ingewikkelder in elkaar dan het bedienen van wissels. Gelukkig is op de site van Digikeijs een DR4018 toepassing handleiding te vinden waarin het wordt uitgelegd. Met 1 DR4018 decoder kunnen 4 seinen worden bediend.
Bedrading aansluiten
Sluit de Power ingang aan op de externe voeding
Sluit de Signal ingang aan op de track output van de DR5000
Sluit de zwart draad van de sein aan op de C-uitgang van OUT1
Sluit de rode draad aan op uitgang 1 (OUT1)
Sluit de gele draad aan op uitgang 2 (OUT1)
Sluit de groene draad aan op uitgang 3 (OUT2)
Voor het tweede sein komt de zwarte draad in de C van OUT3, de rode in uitgang 5, de gele in 6 en de groene in 7 (van OUT4), etc.
Programmeren
Digikeijs hoofdsein DR711 (rechts)
Het programmeren van de decoder kent wat extra stappen ten opzichte van het gebruik bij wissels. Gelukkig kent de DR4018 een aantal presets, waarmee de decoder door slechts 1 CV waarde te programmeren helemaal wordt ingesteld. In dit geval gebruiken we preset 7: 4 NS 3-lichtseinen (met cijferbak). Deze waarde “7” moet geprogrammeerd worden in CV47 en dat gaat als volgt:
Stel de MultiMaus in op Locadres 9999 (of maak een loc aan in de MultiMaus met dit adres, zodat deze makkelijk vaker gebruikt kan worden)
Ga met “Shift” + “Menu” naar de programmeermodus
Zet de MultiMaus in POM mode
Kies vervolgens voor het aanpassen van een CV
Kies CV-adres 47
Vul voor de waarde 7 in
Druk op de programmeerknop van de DR4018 (de rode LED gaat branden)
Druk op “OK” op de MultiMaus om de opdracht te versturen naar de DR4018
Druk nogmaals op de programmeerknop van de DR4018 om de programmeermodus te verlaten
Nu is de decoder ingesteld voor de 4 seinen. Programmeer nu, net als bij de wissels, een beginadres voor de decoder:
Zet de decoder in programmeerstand (rode LED gaat branden)
Selecteer de wisselbediening op de MultiMaus
Kies het juiste beginadres als te bedienen wisseladres op de MultiMaus
Schakel het wissel 1x
De LED op de DR4018 dooft
Let op! In preset 7 mode worden 16 DCC adressen gebruikt. Heeft deze decoder beginadres 17 gekregen, dan worden adres 17 t/m 32 gebruikt, houd er dan rekening mee dat een volgende decoder beginadres 33 krijgt.
Fade snelheid van de lampen
Het is mogelijk om de fade snelheid van de LEDs iets aan te passen, om een iets vertragend effect krijgen bij het aanpassen van het seinbeeld. Programmeer daarvoor CV111 met een hogere waarde dan de standaardwaarde 1 (bijvoorbeeld waarde 3).
Met de DR4018 schakeldecoder kunnen 8 wissels worden bediend. Door een externe voeding te gebruiken, bespaar je (kostbaar) vermogen van de digitale centrale.
Bedrading aansluiten
Om wissels te kunnen schakelen, dient de decoder als volgt te worden aangesloten:
Sluit de Power ingang aan op de externe voeding
Sluit de Signal ingang aan op de track output van de DR5000
Sluit de zwarte draad van de wisselaandrijving aan op de C-uitgang van OUT1
Sluit de bruine draden van de wisselaandrijving aan op respectievelijk uitgangen 1 (rechtdoor) en 2 (afbuigend) van OUT1.
Voor de tweede wissel komt de zwarte draad in de C van OUT2, de bruine draden in respectievelijk uitgang 3 en 4, etc.
De Fleischmann elektrische wisselaandrijving
Programmeren
Wissels worden bediend door het gewenste adres te selecteren en vervolgens te kiezen voor “rechtdoor” of “afbuigend”. Daartoe moet de decoder op het juiste beginadres worden ingesteld. Dit kan zonder de decoder van de track output van de centrale te halen.
In dit voorbeeld ga ik er van uit dat al 1 DR4018 is aangesloten voor het bedienen van 8 wissels, deze worden via adressen 1 t/m 8 geschakeld. Om meer wissels te kunnen bedienen, wordt een tweede DR4018 gebruikt en deze moet beginnen met adres 9.
Zet de op de centrale aangesloten MultiMaus in de wissel bedien stand
Kies adres 9
Druk eenmaal op de programmeerknop van de tweede DR4018, de rode LED gaat branden
Druk op de wisselbedienknop op de MultiMaus
De rode LED dooft, de decoder heeft nu beginadres 9
Er zijn 8 adressen beschikbaar, de wissels aangesloten op deze decoder hebben adres 9 t/m 16.
Om bijvoorbeeld wissels, seinen of een overweg digitaal te kunnen bedienen, is een schakeldecoder nodig. Deze ontvangt een opdracht vanuit de centrale en stuurt op zijn beurt een wisselaandrijving of een sein aan. In deze aansturing zit verschil: een wisselaandrijving heeft slecht een korte puls nodig, terwijl voor een groen sein continu spanning moet staan op de groene LED.
Ook hiervoor heb ik gekozen voor een schakeldecoder van Digikeijs: de DR4018, dat werkt natuurlijk prima samen met de DR5000 centrale. Er zijn twee ingangen: spanning (power) en het DCC signaal (signal). Hoewel de spanning van de DR5000 centrale gehaald kan worden, heb ik gekozen voor een externe voeding. Het omzetten van een wissel is snel gedaan, maar kost aardig wat vermogen in die korte tijd. Door een externe voeding te gebruiken, houdt de centrale voldoende vermogen over voor het laten rijden van de treinen en de verlichting in de wagons.
De DR4018 digitale schakeldecoder
De signal kant is aangesloten op de track output van de centrale, op die manier kan de centrale de opdrachten versturen aan de decoder.
Uitgangen
De DR4018 heeft 8 uitgangen (maximaal 16 aanstuurbare uitgangen). Afhankelijk van het gebruik en configuratie kunnen daarmee 16, 8 of 4 (of een mix daarvan) apparaten worden bediend. Zo kunnen er 16 lampen mee geschakeld worden, 8 wissels worden aangestuurd of 4 Nederlandse seinpalen mee bediend worden. Elke uitgang kent twee schakelbare uitgangen (-) en een gemeenschappelijke pool (C, + potentiaal).
Programmeren
Voordat de schakeldecoder gebruikt kan worden, moet deze worden geprogrammeerd. Standaard staat de DR4018 ingesteld op het gebruik voor het schakelen van (8) wissels. Zodra de decoder van het juiste beginadres is voorzien, kunnen de wissels met opeenvolgende adressen worden bestuurd.
Recente reacties